Vrouwen aan de top blijft achter

Het aandeel vrouwen aan de top van het bedrijfsleven blijft nog ver achter bij het wettelijk streefcijfer. Wat zijn de achterliggende oorzaken? Drukt dit de winstgevendheid van bedrijven? En wat kunnen de overheid en bedrijven doen om het aandeel vrouwen aan de top verder te verhogen? Op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft deze notitie een overzicht van de empirische kennis hierover. De notitie is tot stand gekomen door samenwerking tussen het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Aandeel vrouwen aanzienlijk lager

Het aandeel vrouwen aan de top is nog steeds aanzienlijk lager dan het aandeel mannen aan de top, vooral in het bedrijfsleven. Het aandeel vrouwen aan de top is het afgelopen decennium wel behoorlijk toegenomen en binnen de groep van beursgenoteerde bedrijven scoort Nederland in Europa (boven)gemiddeld wat betreft het aandeel vrouwen aan de top. Bij de Rijksoverheid en andere nonprofitorganisaties is het aandeel vrouwen aan de top met gemiddeld 34% respectievelijk 40% aanzienlijk hoger dan de gemiddeld 15% bij de 5000 grootste bedrijven. In de subtop (de eerste hiërarchische laag onder de top) zijn vrouwen beter vertegenwoordigd dan in de top, er lijkt daarmee voldoende potentieel aanwezig voor een verdere verhoging van het aandeel vrouwen aan de top. Internationaal gezien scoort Nederland bij beursgenoteerde bedrijven bovengemiddeld wat betreft het aandeel vrouwen in de Raden van Commissarissen in Europa, maar scoort het gemiddeld wat betreft het aandeel vrouwen in de Raden van Bestuur. Wat betreft het aandeel vrouwelijke managers over alle managementlagen, van management van een bedrijf tot aan management van een afdeling, scoort Nederland (ver) beneden het Europese gemiddelde.

Factoren

Verschillende factoren spelen een rol bij het relatief lage aandeel vrouwen aan de top: de deeltijdcultuur, risicoaversie en competitieaversie, het denken in stereotypen en de bestaande organisatiecultuur. Het is niet duidelijk wat het relatieve belang is van de verschillende factoren.  Het opleidingsniveau van jonge vrouwen is inmiddels hoger dan dat van mannen en ook de arbeidsdeelname in personen van hoger opgeleide vrouwen nadert die van hoger opgeleide mannen (maar dit werkt pas op de langere termijn door in het aandeel vrouwen aan de top). Het grote aantal vrouwen dat in deeltijd werkt, is nog wel een beperkende factor, hierdoor stromen er minder vrouwen door naar managementposities. Daarnaast spelen verschillen in risicoaversie, competitieaversie en ambitie een rol, maar deze worden deels cultureel bepaald en kunnen gedurende de carrière veranderen. In bedrijven zelf kan het denken in stereotypen bij werving- en selectieprocedures en benoemingen het aandeel vrouwen aan de top beperken. Verder spelen de gangbare praktijken in arbeidsorganisaties een rol, zoals de cultuur van lange werkweken, een gebrek aan netwerken voor vrouwen en een gebrek aan mentoring van vrouwen.

Bron: SCP

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.